Vertaling van adjective van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

adjective

': bijvoeglijk naamwoord, bijvoeglijk, adjectief, bijgevoegd
Transcriptie: [ˈæʤɪktɪv]

Woordenboekartikel

noun

  1. adjectief n
  2. naamwoord n (singular noun)
  3. bijvoeglijk naamwoord
  4. bijvoeglijk

adjective

  1. bijgevoegd

Voorbeelden

grammaticale termen, begrippen


adjective phrase

— adjectiefwoordgroep; adjectivische woordgroep

adjective clause

— bijvoeglijke bijzin; relatieve bijzin met een bijvoeglijke functie

adjective agreement

— congruentie van het bijvoeglijk naamwoord; overeenstemming van het bijvoeglijk naamwoord in geslacht en getal

adjective order

— volgorde van bijvoeglijke naamwoorden; rangschikking van bijvoeglijke naamwoorden

adjective complement

— aanvulling van een bijvoeglijk naamwoord; adjectiefcomplement

adjective modifier

— bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord; woord dat een bijvoeglijk naamwoord preciseert

adjective form

— vorm van het bijvoeglijk naamwoord

adjective ending

— uitgang van het bijvoeglijk naamwoord; achtervoegsel van het bijvoeglijk naamwoord

adjective usage

— gebruik van het bijvoeglijk naamwoord; aanwending van het bijvoeglijk naamwoord

adjective position

— positie van het bijvoeglijk naamwoord; plaats van het bijvoeglijk naamwoord

soorten bijvoeglijke naamwoorden, categorieën of trappen


comparative adjective

— vergrotende trap van het bijvoeglijk naamwoord; comparatief

superlative adjective

— overtreffende trap van het bijvoeglijk naamwoord; superlatief

compound adjective

— samengesteld bijvoeglijk naamwoord; samenstelling als bijvoeglijk naamwoord

gradable adjective

— gradeerbaar bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord dat trappen van vergelijking toelaat

non-gradable adjective

— niet-gradeerbaar bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord dat geen trappen van vergelijking toelaat

predicative adjective

— predicatief bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord als naamwoordelijk deel van het gezegde

attributive adjective

— attributief bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord in attributieve positie

possessive adjective

— bezittelijk bijvoeglijk naamwoord; bezittelijk voornaamwoord als bijvoeglijk naamwoord

demonstrative adjective

— aanwijzend bijvoeglijk naamwoord

interrogative adjective

— vragend bijvoeglijk naamwoord

numeral adjective

— telwoordelijk bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord van getal of hoeveelheid

color adjective

— kleurbijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord dat een kleur aangeeft

participial adjective

— deelwoordelijk bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord afgeleid van een deelwoord

didactiek, analyse of uitleg


adjective exercise

— oefening met bijvoeglijke naamwoorden; oefening over bijvoeglijke naamwoorden

adjective worksheet

— werkblad bijvoeglijke naamwoorden; oefenblad bijvoeglijke naamwoorden

identify the adjective

— het bijvoeglijk naamwoord aanwijzen; het bijvoeglijk naamwoord identificeren

find the adjective

— het bijvoeglijk naamwoord vinden

use the adjective in a sentence

— het bijvoeglijk naamwoord in een zin gebruiken; het bijvoeglijk naamwoord in een zin toepassen

adjective test

— toets over bijvoeglijke naamwoorden; proefwerk over bijvoeglijke naamwoorden

adjective lesson

— les over bijvoeglijke naamwoorden

adjective practice

— oefening met bijvoeglijke naamwoorden; training in bijvoeglijke naamwoorden

voorbeelden van combinaties, posities of constructies


adjective + noun

— bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord; combinatie van bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord

adjective before noun

— bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord; bijvoeglijk naamwoord in vooroppositie

adjective after noun

— bijvoeglijk naamwoord na het zelfstandig naamwoord; achtergeplaatst bijvoeglijk naamwoord

adjective followed by to-infinitive

— bijvoeglijk naamwoord gevolgd door een infinitief met te; bijvoeglijk naamwoord met daaropvolgende te-infinitief

adjective followed by that-clause

— bijvoeglijk naamwoord gevolgd door een dat-zin; bijvoeglijk naamwoord + dat-zin

adjective with preposition

— bijvoeglijk naamwoord met voorzetsel; regeerstructuur van het bijvoeglijk naamwoord

adjective complement to be

— bijvoeglijk naamwoord als naamwoordelijk deel met te zijn; bijvoeglijk naamwoord in combinatie met het werkwoord zijn

adjective order in noun phrases

— volgorde van bijvoeglijke naamwoorden in nominale groepen; rangschikking van bijvoeglijke naamwoorden in woordgroepen met een zelfstandig naamwoord