Vertaling van adjective van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
adjective
Woordenboekartikel
noun
- adjectief n
- naamwoord n (singular noun)
- bijvoeglijk naamwoord
- bijvoeglijk
adjective
- bijgevoegd
Voorbeelden
grammaticale termen, begrippen
adjective phrase
— adjectiefwoordgroep; adjectivische woordgroepadjective clause
— bijvoeglijke bijzin; relatieve bijzin met een bijvoeglijke functieadjective agreement
— congruentie van het bijvoeglijk naamwoord; overeenstemming van het bijvoeglijk naamwoord in geslacht en getaladjective order
— volgorde van bijvoeglijke naamwoorden; rangschikking van bijvoeglijke naamwoordenadjective complement
— aanvulling van een bijvoeglijk naamwoord; adjectiefcomplementadjective modifier
— bepaling bij een bijvoeglijk naamwoord; woord dat een bijvoeglijk naamwoord preciseertadjective form
— vorm van het bijvoeglijk naamwoordadjective ending
— uitgang van het bijvoeglijk naamwoord; achtervoegsel van het bijvoeglijk naamwoordadjective usage
— gebruik van het bijvoeglijk naamwoord; aanwending van het bijvoeglijk naamwoordadjective position
— positie van het bijvoeglijk naamwoord; plaats van het bijvoeglijk naamwoordsoorten bijvoeglijke naamwoorden, categorieën of trappen
comparative adjective
— vergrotende trap van het bijvoeglijk naamwoord; comparatiefsuperlative adjective
— overtreffende trap van het bijvoeglijk naamwoord; superlatiefcompound adjective
— samengesteld bijvoeglijk naamwoord; samenstelling als bijvoeglijk naamwoordgradable adjective
— gradeerbaar bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord dat trappen van vergelijking toelaatnon-gradable adjective
— niet-gradeerbaar bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord dat geen trappen van vergelijking toelaatpredicative adjective
— predicatief bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord als naamwoordelijk deel van het gezegdeattributive adjective
— attributief bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord in attributieve positiepossessive adjective
— bezittelijk bijvoeglijk naamwoord; bezittelijk voornaamwoord als bijvoeglijk naamwoorddemonstrative adjective
— aanwijzend bijvoeglijk naamwoordinterrogative adjective
— vragend bijvoeglijk naamwoordnumeral adjective
— telwoordelijk bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord van getal of hoeveelheidcolor adjective
— kleurbijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord dat een kleur aangeeftparticipial adjective
— deelwoordelijk bijvoeglijk naamwoord; bijvoeglijk naamwoord afgeleid van een deelwoorddidactiek, analyse of uitleg
adjective exercise
— oefening met bijvoeglijke naamwoorden; oefening over bijvoeglijke naamwoordenadjective worksheet
— werkblad bijvoeglijke naamwoorden; oefenblad bijvoeglijke naamwoordenidentify the adjective
— het bijvoeglijk naamwoord aanwijzen; het bijvoeglijk naamwoord identificerenfind the adjective
— het bijvoeglijk naamwoord vindenuse the adjective in a sentence
— het bijvoeglijk naamwoord in een zin gebruiken; het bijvoeglijk naamwoord in een zin toepassenadjective test
— toets over bijvoeglijke naamwoorden; proefwerk over bijvoeglijke naamwoordenadjective lesson
— les over bijvoeglijke naamwoordenadjective practice
— oefening met bijvoeglijke naamwoorden; training in bijvoeglijke naamwoordenvoorbeelden van combinaties, posities of constructies
adjective + noun
— bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord; combinatie van bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoordadjective before noun
— bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord; bijvoeglijk naamwoord in vooroppositieadjective after noun
— bijvoeglijk naamwoord na het zelfstandig naamwoord; achtergeplaatst bijvoeglijk naamwoordadjective followed by to-infinitive
— bijvoeglijk naamwoord gevolgd door een infinitief met te; bijvoeglijk naamwoord met daaropvolgende te-infinitiefadjective followed by that-clause
— bijvoeglijk naamwoord gevolgd door een dat-zin; bijvoeglijk naamwoord + dat-zinadjective with preposition
— bijvoeglijk naamwoord met voorzetsel; regeerstructuur van het bijvoeglijk naamwoordadjective complement to be
— bijvoeglijk naamwoord als naamwoordelijk deel met te zijn; bijvoeglijk naamwoord in combinatie met het werkwoord zijnadjective order in noun phrases
— volgorde van bijvoeglijke naamwoorden in nominale groepen; rangschikking van bijvoeglijke naamwoorden in woordgroepen met een zelfstandig naamwoord