Vertaling van argument van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

argument

': argument, betoog, bewijs, bewijsgrond, twistgesprek
Transcriptie: [ˈɑːgjʊmənt]

Woordenboekartikel

noun

  1. argument n (parameter, dispute, argumentation)
  2. betoog n
  3. ruzie f
  4. argumentatie f
  5. redenering f
  6. discussie f (dispute)
  7. debat n
  8. parameter m (parameter)
  9. stelling f (contention)
  10. onenigheid f (contention)

Voorbeelden

reden, argument of grond


argument

— argument

strong argument

— sterk argument

compelling argument

— overtuigend argument

argument in favor

— argument voor

argument against

— argument tegen

supporting argument

— ondersteunend argument

ruzie, twistgesprek of debat


argument between colleagues

— ruzie tussen collega's

heated argument

— verhitte discussie

verbal argument

— woordenwisseling

public argument

— publiek debat

domestic argument

— gezinsruzie

logica, filosofie of retorica


logical argument

— logisch argument

sound argument

— deugdelijk argument

fallacious argument

— drogreden

argument from authority

— beroep op autoriteit

ad hominem argument

— ad hominem-argument

wiskunde, functie of parameter


argument of a function

— argument van een functie

independent argument

— onafhankelijk argument

argument value

— argumentwaarde

argument of a complex number

— argument van een complex getal

programmeren, functieparameter of commandoregel


function argument

— functieargument

command line argument

— commandoregelargument

pass an argument

— een argument doorgeven

optional argument

— optioneel argument

named argument

— benoemd argument

juridisch argument, pleidooi of overtuiging


legal argument

— juridisch argument

closing argument

— slotpleidooi

mitigating argument

— verzachtende omstandigheid

prosecutorial argument

— argument van de aanklager

uitdrukkingen of vaste combinaties


raise an argument

— een argument naar voren brengen

make an argument

— een argument aanvoeren

counterargument

— tegenargument

settle the argument

— het geschil beslechten

lose the argument

— de discussie verliezen

win the argument

— het pleit winnen