Vertaling van business van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

business

': bedrijf, zaak, handel, handelszaak, werk
Transcriptie: [ˈbɪznɪs]

Woordenboekartikel

noun

  1. bedrijf n (enterprise)
  2. zaak f (thing)
  3. werk n (working)
  4. Business m (business enterprise)
  5. onderneming f
  6. ondernemerschap n
  7. zakelijk n (enterprise)
  8. bedrijfsleven n (enterprise)
  9. zakelijke f (enterprise)
  10. activiteit f (action)

Voorbeelden

bedrijf of onderneming


 

small business

— klein bedrijf
 

family business

— familiebedrijf
 

local business

— lokaal bedrijf; plaatselijke firma
 

foreign business

— buitenlands bedrijf; buitenlandse firma
 

new business

— nieuw bedrijf; nieuwe onderneming

bedrijfsactiviteiten of bedrijfsvoering


 

run a business

— een bedrijf runnen; een bedrijf leiden
 

start a business

— een bedrijf starten; een onderneming beginnen
 

close a business

— een bedrijf sluiten; een onderneming beëindigen
 

do business with

— zaken doen met; samenwerken met
 

grow a business

— een bedrijf laten groeien; een bedrijf ontwikkelen

documenten, modellen of instrumenten


 

business plan

— businessplan
 

business model

— businessmodel
 

business license

— bedrijfslicentie; vergunning voor bedrijfsactiviteiten
 

business card

— visitekaartje
 

business proposal

— commercieel voorstel; voorstel voor zaken

rollen, partners of klanten


 

business partner

— zakenpartner; partner in het bedrijf
 

business owner

— bedrijfseigenaar; ondernemer
 

business associate

— zakenpartner; collega
 

business client

— zakelijke klant; opdrachtgever
 

business customer

— klant; afnemer

reizen, vergaderingen of evenementen


 

business trip

— zakenreis
 

business meeting

— zakelijke bijeenkomst; bespreking
 

business lunch

— zakelijke lunch
 

business conference

— zakelijke conferentie; conferentie over bedrijfszaken
 

business appointment

— zakelijke afspraak; geplande zakelijke bijeenkomst

kantooruren of werkomgeving


 

business hours

— kantoortijden; openingstijden
 

business day

— werkdag
 

business environment

— zakelijke omgeving; bedrijfsomgeving
 

business practice

— zakelijke praktijk; bedrijfsvoering
 

business etiquette

— zakelijke etiquette

idiomatische uitdrukkingen of vaste formules


 

business as usual

— gewoon zoals altijd; de normale gang van zaken
 

none of your business

— niet jouw zaak; doe er niet over mee
 

mind your own business

— bemoei je met je eigen zaken; let op je eigen werk
 

get down to business

— aan het werk gaan; ter zake komen
 

in business

— in het bedrijf; nog actief (van een bedrijf)
 

out of business

— gesloten; failliet; gestopt met haar activiteiten
 

on business

— in zaken; op reis voor zaken