Vertaling van busy van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

busy

': druk, bezig, bezet, bezighouden, naarstig
Transcriptie: [ˈbɪzɪ]

Woordenboekartikel

noun

  1. bezig (involved)
  2. bezighouden (involved)
  3. drukke (vibrant)
  4. drukte f
  5. hectisch
  6. zware

verb

  1. bezet (occupied)

adjective

  1. druk
  2. naarstig
  3. rusteloos
  4. druk bedrijvig
  5. bemoeiziek

Voorbeelden

bezig, overladen met werk


be busy

— druk zijn

busy with work

— druk met werk

busy doing something

— bezig zijn met iets

keep busy

— zich bezighouden; zichzelf bezighouden

stay busy

— druk blijven; niet stilzitten

too busy to talk

— te druk om te praten

busy schedule

— drukke agenda; volle agenda

busy day

— drukke dag; volle dag

levendig, druk, rumoerig


busy street

— drukke straat; levendige straat

busy intersection

— druk kruispunt

busy restaurant

— druk restaurant; restaurant vol bezoekers

busy market

— drukke markt; levendige markt

busy airport

— drukke luchthaven; drukbezochte luchthaven

lijn bezet, verbinding


busy signal

— bezettoon; ingebruiktoon

line is busy

— de lijn is bezet

phone is busy

— de telefoon is bezet; het nummer is bezet

idiomen en vaste uitdrukkingen


busy as a bee

— druk als een bij; zoet als een bij

get busy

— aan de slag gaan; aan het werk gaan

busybody

— bemoeial; nieuwsgierig aagje

keep oneself busy

— zich bezighouden; zichzelf bezighouden

periode van verhoogde activiteit


busy season

— druk seizoen; hoogseizoen

busy period

— drukke periode; intense periode

busy time

— drukke tijd; periode van bezetting

grammatica combinaties met voorzetsels


busy with

— druk met

busy at work

— druk op het werk; druk met werk

busy about

— druk met; bezig met