Vertaling van calendar van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

calendar

': kalender, almanak, handboek, inventariseren
Transcriptie: [ˈkælɪndə]

Woordenboekartikel

noun

  1. kalender m
  2. agenda m (schedule, calender)
  3. kalenderjaar n (calendar year, calendar day)
  4. kalenderdag m
  5. rooster n (schedule)
  6. schema n (scheduler)
  7. almanak
  8. handboek

verb

  1. tijdschema n (schedule)
  2. inventariseren

Voorbeelden

typen kalender of kalenderformaten


 

calendar year

— kalenderjaar
 

lunar calendar

— maankalender
 

Gregorian calendar

— gregoriaanse kalender
 

fiscal calendar

— fiscale kalender; kalender van het financiële jaar
 

academic calendar

— academische kalender
 

wall calendar

— muurkalender
 

desk calendar

— bureaugkalender
 

pocket calendar

— zakkalender
 

perpetual calendar

— eeuwigdurende kalender; permanente kalender

kalenderperioden of tijdsdelen


 

calendar month

— kalendermaand
 

calendar week

— kalenderweek
 

calendar day

— kalenderdag
 

calendar quarter

— kalenderkwartaal
 

end of calendar year

— einde van het kalenderjaar

acties met de kalender of kalenderfuncties


 

add to calendar

— toevoegen aan kalender
 

create calendar event

— kalendergebeurtenis maken
 

delete calendar event

— kalendergebeurtenis verwijderen
 

edit calendar entry

— kalenderitem bewerken
 

sync calendar

— kalender synchroniseren
 

share calendar

— kalender delen; toegang tot de kalender geven
 

set calendar reminder

— kalenderherinnering instellen
 

import calendar

— kalender importeren
 

export calendar

— kalender exporteren

interface-elementen of kalenderweergaven


 

calendar view

— kalenderaanzicht; kalenderweergave
 

calendar grid

— kalenderrooster
 

calendar icon

— kalenderpictogram
 

calendar event

— kalendergebeurtenis
 

calendar entry

— kalenderitem
 

calendar reminder

— kalenderherinnering

uitdrukkingen en frasen met kalender


 

mark on the calendar

— in de kalender noteren
 

pencil in the calendar

— voorlopig in de kalender noteren; een notitie in de kalender maken
 

put on the calendar

— in de kalender zetten; in de kalender plannen
 

clear the calendar

— de kalender leegmaken; alle items uit de kalender verwijderen
 

hold in the calendar

— in de kalender plannen
 

on the calendar

— in de kalender; in de agenda

kalender in bedrijf of boekhouding


 

calendar basis

— kalenderbasis; op kalenderbasis
 

calendar adjustment

— kalenderaanpassing; kalendercorrectie
 

calendar reporting

— kalenderrapportage; rapportage volgens de kalender