Vertaling van coach van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
coach
Transcriptie: [koʊtʃ]
Woordenboekartikel
noun
- coach m (coaching, instructor)
- trainer m
- bus m (bus)
- busstation n
- busdienst m
- koetshuis n (coach house)
- begeleider m (tutor, instructor)
- instructeur m
- getraind (train)
- leraar m (teacher)
verb
- trainen (train)
- coachen (coaching)
- begeleiden (guide)
- africhten
- onderwijzen
- lessen geven
- opvoeden
Voorbeelden
coach, trainer
head coach
— hoofdcoachassistant coach
— assistent-coach, assistent-trainersports coach
— sportcoach, sporttrainerpersonal coach
— persoonlijk coachlife coach
— life coach, coach voor persoonlijke groeifitness coach
— fitnesscoachyouth coach
— jeugdtrainer, jeugdcoachautobus, touringcar
coach station
— busstation, station voor langeafstandsbussencoach driver
— buschauffeur, chauffeur van langeafstandsbussencoach trip
— busreis, langeafstandsbusreiscoach tour
— busrondrit, bustourcoach company
— busbedrijf, vervoerdercoach seat
— busstoel, zitplaats in de touringcarcoach fare
— busprijs, kostprijs van een buskaartjetrainen, coachen
to coach someone
— iemand trainen, iemand coachen, iemand begeleidencoach a team
— een team trainen, een team coachencoach a player
— een speler coachen, een speler begeleidencoach in public speaking
— trainen in spreken in het openbaar, coachen in retoricacoach a client
— een klant begeleiden, een klant coachenoverig, archaïsch of figuurlijk
stage coach
— postkoets, diligencecoach house
— koetshuis, koetsloodscoach builder
— koetsenmaker, busfabrikantcoach class
— economyclass, toeristenklasseCoach bag
— Coach-tas, tas van Coach