Vertaling van ear van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

ear

': oor, gehoor, aar, aren schieten
Transcriptie: [ɪə]   US     UK 

Woordenboekartikel

noun

  1. oor n
  2. gehoor n (hearing)
  3. ear m
  4. binnenoor n (inner ear)
  5. aar

verb

  1. aren schieten

Voorbeelden

lichaamsdelen en medische termen


 

outer ear

— buitenoor; oorschelp
 

inner ear

— binnenoor
 

middle ear

— middenoor
 

ear canal

— gehoorgang; oorkanaal
 

eardrum

— trommelvlies
 

earlobe

— oorlel
 

earwax

— oorsmeer
 

earache

— oorpijn
 

ear infection

— oorinfectie; oorontsteking
 

earplug

— oorprop; oordopje
 

pierced ear

— gepierct oor; gaatje in het oor

gehoor, aandacht en luisteren


 

lend an ear

— een luisterend oor bieden; naar iemand luisteren
 

turn a deaf ear

— zich doof houden; doen alsof je het niet hoort
 

in one ear and out the other

— het ene oor in, het andere uit
 

listen with half an ear

— met een half oor luisteren; niet opletten
 

pay attention with your ear

— aandachtig luisteren; je oren inspannen
 

have an ear for

— een goed gehoor hebben; een aanleg hebben voor (muziek)

muziek en gehoortraining


 

by ear

— op het gehoor; op de kop af
 

play it by ear

— improviseren; afgaan op de situatie
 

train your ear

— je gehoor trainen; je muzikale oor ontwikkelen
 

earworm

— oorwurm; een liedje dat in je hoofd blijft zitten

idiomen en uitdrukkingen


 

fall on deaf ears

— aan dovemansoren gericht zijn; geen effect hebben
 

wet behind the ears

— nat achter de oren; onervaren
 

keep your ear to the ground

— je oor te luisteren leggen; op de hoogte blijven
 

cock an ear

— het oor spitsen; aandachtig luisteren
 

ringing in the ears

— oorsuizen; een piep in het oor
 

cover your ears

— je oren bedekken; je handen over je oren leggen

locatie en bereik


 

within earshot

— binnen gehoorsafstand; binnen gehoorsbereik
 

out of earshot

— buiten gehoorsafstand; buiten gehoorsbereik
 

earshot

— gehoorsafstand; gehoorsbereik

landbouw en planten


 

ear of corn

— maïskolf
 

ear of wheat

— tarweaar; korenaar