Vertaling van fit van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

fit

': geschikt, aanpassen, monteren, passend, gepast
Transcriptie: [fɪt]

Woordenboekartikel

verb

  1. passend (fitting)
  2. passen (suit)
  3. pasten
  4. overeen (correspond)
  5. overeenkomen (correspond)
  6. past n
  7. rusten (equip)
  8. aanpassen
  9. monteren
  10. voorzien

noun

  1. geschikt (suit)
  2. gepast (appropriate)
  3. uitrusten (equip)
  4. fit n (fitting)
  5. aanval
  6. toeval
  7. stuip
  8. vlaag
  9. beroerte
  10. bui

adjective

  1. bruikbaar
  2. behoorlijk
  3. gezond
  4. betamelijk
  5. in goede conditie
  6. dienstig

Voorbeelden

maat en pasvorm


 

to fit

— passen; overeenkomen in maat
 

fit me

— past me; is mijn maat
 

fit well

— goed zitten; qua maat passen
 

fit like a glove

— als gegoten zitten; perfect passen
 

be a tight fit

— krap zitten; nauwelijks passen

geschiktheid; overeenstemming


 

fit for purpose

— geschikt voor het doel
 

fit the bill

— aan de verwachtingen voldoen; passen
 

a good fit

— een goede match; een geschikte optie
 

not fit for use

— ongeschikt voor gebruik

lichamelijke conditie; gezondheid


 

get fit

— fit worden
 

stay fit

— fit blijven
 

be fit and healthy

— fit en gezond zijn
 

physically fit

— lichamelijk fit

erbij horen; zich aanpassen


 

fit in

— erbij passen; zich aanpassen
 

fit in with

— harmoniëren met; passen bij
 

find it hard to fit in

— moeite hebben om erbij te horen
 

fit right in

— meteen aansluiting vinden

uitrusten; inrichten


 

fit out

— uitrusten; voorzien van
 

fit someone with

— iemand uitrusten met; iemand voorzien van
 

be fitted with

— uitgerust zijn met; voorzien zijn van
 

fit new windows

— nieuwe ramen plaatsen

in elkaar zetten; samenpassen


 

fit together

— in elkaar passen
 

parts fit together

— delen passen op elkaar
 

fit into place

— op zijn plaats vallen
 

make pieces fit

— stukken laten passen

aanval; uitbarsting van emoties


 

have a fit

— een aanval krijgen; een toeval krijgen
 

a fit of laughter

— een lachbui
 

a fit of anger

— een woede-uitbarsting
 

throw a fit

— een woede-uitbarsting krijgen

belasten; vals beschuldigen


 

fit someone up

— iemand erin luizen; iemand vals beschuldigen
 

be fitted for a role

— geschikt zijn voor een rol
 

fit to scale

— opschalen; aanpassen aan de schaal