Vertaling van gain van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

gain

': krijgen, winst, winnen, verkrijgen, aanwinst
Transcriptie: [geɪn]

Woordenboekartikel

noun

  1. winst f (income)
  2. voordeel n (profit)
  3. bereiken (get)
  4. verdienen (deserve)
  5. gain f
  6. gewichtstoename f (weight)
  7. gewin n (profit)
  8. opbrengst f (income)
  9. behaalde (win)
  10. hebben (have)

verb

  1. krijgen (have, acquire, get)
  2. verkrijgen
  3. behalen
  4. winnen (profit)
  5. verwerven (acquire)
  6. baat (profit)
  7. opdoen (acquire)
  8. halen (get)
  9. profiteren (profit)
  10. toenemen

Voorbeelden

verkrijging, verwerving


gain access

— toegang krijgen

gain admission

— toelating krijgen; worden toegelaten

gain approval

— goedkeuring krijgen

gain recognition

— erkenning krijgen; erkenning verwerven

gain acceptance

— aanvaarding verkrijgen; erkenning krijgen

opbouw, toename


gain weight

— gewicht aankomen

gain speed

— snelheid winnen

gain momentum

— momentum krijgen; vaart krijgen

gain altitude

— hoogte winnen

gain ground

— terrein winnen; terrein goedmaken

ervaring, kennis, inzicht


gain experience

— ervaring opdoen

gain knowledge

— kennis opdoen; kennis verwerven

gain insight

— inzicht krijgen; dieper begrijpen

gain expertise

— deskundigheid opdoen; expert worden

gain a better understanding

— een beter begrip krijgen

voordeel, gewin


gain advantage

— voordeel behalen

gain an edge

— een voorsprong krijgen; een concurrentievoordeel verwerven

gain benefit

— voordeel halen; profijt trekken

gain profit

— winst behalen

controle, invloed, steun


gain control

— controle krijgen; onder controle krijgen

gain influence

— invloed verwerven; invloed uitoefenen

gain support

— steun krijgen; steun verwerven

gain power

— macht krijgen; kracht verwerven

technisch, versterking


gain

— versterkingsfactor

signal gain

— signaalversterking

voltage gain

— spanningsversterking; spanningsversterkingsfactor

gain stage

— versterkingstrap; versterkertrap

relaties, vertrouwen, tijd


gain time

— tijd winnen; extra tijd verwerven

gain someone's trust

— iemands vertrouwen winnen; iemands vertrouwen verdienen

gain favor

— gunst verwerven; welwillendheid winnen