Vertaling van get van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
get
Woordenboekartikel
verb (got, got/gotten)
- krijgen (give, receiving, achieve, move, secure)
- verkrijgen
- geraken
- bemachtigen
- worden (be)
- komen (be)
- ontvangen
- halen (remove)
- weer (be)
- maak (make)
noun
- hebben (be)
- jongen
- nest
- worp
- jong
- opbrengst
Voorbeelden
verkrijgen, verwerven
get a job
— een baan krijgenget a ticket
— een kaartje kopen; een kaartje krijgenget a degree
— een diploma behalenget money
— geld krijgenworden, veranderen in, beginnen
get tired
— moe wordenget better
— beter worden; opknappenget married
— trouwenget dark
— donker wordenget used to
— wennen aanontvangen, krijgen
get a letter»
— een brief ontvangenget an email»
— een e-mail ontvangenget a promotion»
— bevorderd wordenbegrijpen, inzien
get it
— het begrijpenget the joke
— de grap begrijpenget the point
— de kern begrijpenget someone's meaning
— iemands bedoeling begrijpen; begrijpen wat iemand bedoeltaankomen, bereiken, zich begeven
get to work
— naar het werk gaanget home
— thuiskomenget there
— er komenpakken, halen, brengen
get the book
— het boek pakkenget the phone
— de telefoon opnemenget food
— eten halen; eten brengeniemands iets laten doen; iemand overhalen om iets te doen
get someone to do something
— iemand iets laten doen; iemand overhalen om iets te doenget him to help
— hem overhalen om te helpen; hem laten helpenzich ontdoen van
get rid of
— zich ontdoen vanget rid of the problem
— zich van het probleem ontdoenherstellen van, overheen komen
get over an illness
— herstellen van een ziekte; genezenget over a breakup
— over een relatiebreuk heen komeneruit gaan; ontsnappen
get out
— eruit gaan; eruit komenget out of the car
— uit de auto stappenopstaan
get up
— opstaanget out of bed
— uit bed opstaanterugkeren; terugkrijgen
get back
— teruggaan naar huis; terugkeren naar huisget back home
— het redden; doorstaandoor het examen heen komen
get through
— overbrengen; duidelijk makenget through the exam
— zijn standpunt duidelijk makeninstappen; aan boord gaan
get across
— uitstappenget one's point across
— het goed kunnen vinden met iemandhet goed kunnen vinden met iemand
get on
— weggaan; vertrekkenget off
— ermee wegkomen; ongestraft blijvenget along with someone
— het weekend weggaanget on with someone
— wennen aan; zich aanpassen aanwennen om iets te doen; zich aanpassen aan het doen van iets
get away
— wegkomenget away with
— wegkomen metget away for the weekend
— wegkomen voor het weekendwennen, aanpassen
get used to doing something
— wennen aan iets doen