Vertaling van get van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

get

': krijgen, komen, verkrijgen, geraken, worden
Transcriptie: [get]   US     UK 

Woordenboekartikel

verb (got, got/gotten)

  1. krijgen (give, receiving, achieve, move, secure)
  2. verkrijgen
  3. geraken
  4. bemachtigen
  5. worden (be)
  6. komen (be)
  7. ontvangen
  8. halen (remove)
  9. weer (be)
  10. maak (make)

noun

  1. hebben (be)
  2. jongen
  3. nest
  4. worp
  5. jong
  6. opbrengst

Voorbeelden

verkrijgen, verwerven


 

get a job

— een baan krijgen
 

get a ticket

— een kaartje kopen; een kaartje krijgen
 

get a degree

— een diploma behalen
 

get money

— geld krijgen

worden, veranderen in, beginnen


 

get tired

— moe worden
 

get better

— beter worden; opknappen
 

get married

— trouwen
 

get dark

— donker worden
 

get used to

— wennen aan

ontvangen, krijgen


 

get a letter»

— een brief ontvangen
 

get an email»

— een e-mail ontvangen
 

get a promotion»

— bevorderd worden

begrijpen, inzien


 

get it

— het begrijpen
 

get the joke

— de grap begrijpen
 

get the point

— de kern begrijpen
 

get someone's meaning

— iemands bedoeling begrijpen; begrijpen wat iemand bedoelt

aankomen, bereiken, zich begeven


 

get to work

— naar het werk gaan
 

get home

— thuiskomen
 

get there

— er komen

pakken, halen, brengen


 

get the book

— het boek pakken
 

get the phone

— de telefoon opnemen
 

get food

— eten halen; eten brengen

iemands iets laten doen; iemand overhalen om iets te doen


 

get someone to do something

— iemand iets laten doen; iemand overhalen om iets te doen
 

get him to help

— hem overhalen om te helpen; hem laten helpen

zich ontdoen van


 

get rid of

— zich ontdoen van
 

get rid of the problem

— zich van het probleem ontdoen

herstellen van, overheen komen


 

get over an illness

— herstellen van een ziekte; genezen
 

get over a breakup

— over een relatiebreuk heen komen

eruit gaan; ontsnappen


 

get out

— eruit gaan; eruit komen
 

get out of the car

— uit de auto stappen

opstaan


 

get up

— opstaan
 

get out of bed

— uit bed opstaan

terugkeren; terugkrijgen


 

get back

— teruggaan naar huis; terugkeren naar huis
 

get back home

— het redden; doorstaan

door het examen heen komen


 

get through

— overbrengen; duidelijk maken
 

get through the exam

— zijn standpunt duidelijk maken

instappen; aan boord gaan


 

get across

— uitstappen
 

get one's point across

— het goed kunnen vinden met iemand

het goed kunnen vinden met iemand


 

get on

— weggaan; vertrekken
 

get off

— ermee wegkomen; ongestraft blijven
 

get along with someone

— het weekend weggaan
 

get on with someone

— wennen aan; zich aanpassen aan

wennen om iets te doen; zich aanpassen aan het doen van iets


 

get away

— wegkomen
 

get away with

— wegkomen met
 

get away for the weekend

— wegkomen voor het weekend

wennen, aanpassen


 

get used to doing something

— wennen aan iets doen