Vertaling van go van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

go

': gaan, lopen, vertrekken, verdwijnen, verlopen
Transcriptie: [gəʊ]

Woordenboekartikel

verb (went, gone)

  1. gaan (proceed, head)
  2. lopen (walk)
  3. vertrekken (leave)
  4. verlopen (proceed)
  5. ga
  6. terecht (come)
  7. naartoe (come)
  8. uitgaan (proceed)
  9. voorbij (pass)
  10. doorgaan (proceed)

noun

  1. gaat (be)
  2. het gaan
  3. gang
  4. vaart
  5. beurt
  6. vuur
  7. fut
  8. bezieling
  9. mode

Voorbeelden

verplaatsing of richting


go home

— naar huis gaan

go to the store

— naar de winkel gaan

go for a walk

— een wandeling maken

go upstairs

— naar boven gaan

go outside

— naar buiten gaan

go through the tunnel

— door de tunnel gaan

vertrek, afwezigheid of terugkeer


go away

— weggaan

go back

— teruggaan

go out

— uitgaan; uitgaan (van licht)

go missing

— verdwijnen

begin of voortzetting van een actie


go on

— doorgaan; plaatsvinden

go ahead

— ga je gang; doe maar

go forward

— vooruitgaan; vooruitgang boeken

go into detail

— in detail treden; uitvoerig behandelen

verandering van toestand of transformatie


go bad

— bederven

go cold

— koud worden

go crazy

— gek worden; zijn verstand verliezen

go dark

— uitgaan; stoppen met functioneren

go silent

— stil worden; zwijgen

mislukking, einde of financiële problemen


go bankrupt

— failliet gaan; bankroet gaan

go under

— mislukken; failliet gaan

go out of business

— sluiten; de activiteiten stopzetten

sociale en romantische situaties


go out with

— uitgaan met; afspreken met

go on a date

— op date gaan; een afspraakje hebben

go steady with

— een vaste relatie hebben met; langdurig verkering hebben met

pogingen, keuzes of streven


go for it

— ervoor gaan; het proberen

go for the job

— solliciteren naar de baan; een aanvraag indienen voor de functie

go all in

— alles op het spel zetten; alles riskeren

proces van ondergaan of overwegen


go through

— doormaken; ondergaan

go over

— doornemen; herhalen; bespreken

go into effect

— in werking treden; van kracht worden

tijd, niveau of verandering van hoeveelheid


go by

— voorbijgaan (van tijd); voorbijgaan

go up

— stijgen; omhooggaan

go down

— dalen; naar beneden gaan

geluiden, signalen en afgaan


go off

— afgaan (van signaal); ontploffen; bederven (van eten); uitgaan (van apparaat)

idiomen en vaste uitdrukkingen


let it go

— loslaten; stoppen met klagen

how's it going

— hoe gaat het; hoe gaat het ermee

there's no going back

— er is geen weg terug; niet meer terug kunnen