Vertaling van go van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
go
Woordenboekartikel
verb (went, gone)
- gaan (proceed, head)
- lopen (walk)
- vertrekken (leave)
- verlopen (proceed)
- ga
- terecht (come)
- naartoe (come)
- uitgaan (proceed)
- voorbij (pass)
- doorgaan (proceed)
noun
- gaat (be)
- het gaan
- gang
- vaart
- beurt
- vuur
- fut
- bezieling
- mode
Voorbeelden
verplaatsing of richting
go home
— naar huis gaango to the store
— naar de winkel gaango for a walk
— een wandeling makengo upstairs
— naar boven gaango outside
— naar buiten gaango through the tunnel
— door de tunnel gaanvertrek, afwezigheid of terugkeer
go away
— weggaango back
— teruggaango out
— uitgaan; uitgaan (van licht)go missing
— verdwijnenbegin of voortzetting van een actie
go on
— doorgaan; plaatsvindengo ahead
— ga je gang; doe maargo forward
— vooruitgaan; vooruitgang boekengo into detail
— in detail treden; uitvoerig behandelenverandering van toestand of transformatie
go bad
— bedervengo cold
— koud wordengo crazy
— gek worden; zijn verstand verliezengo dark
— uitgaan; stoppen met functionerengo silent
— stil worden; zwijgenmislukking, einde of financiële problemen
go bankrupt
— failliet gaan; bankroet gaango under
— mislukken; failliet gaango out of business
— sluiten; de activiteiten stopzettensociale en romantische situaties
go out with
— uitgaan met; afspreken metgo on a date
— op date gaan; een afspraakje hebbengo steady with
— een vaste relatie hebben met; langdurig verkering hebben metpogingen, keuzes of streven
go for it
— ervoor gaan; het proberengo for the job
— solliciteren naar de baan; een aanvraag indienen voor de functiego all in
— alles op het spel zetten; alles riskerenproces van ondergaan of overwegen
go through
— doormaken; ondergaango over
— doornemen; herhalen; besprekengo into effect
— in werking treden; van kracht wordentijd, niveau of verandering van hoeveelheid
go by
— voorbijgaan (van tijd); voorbijgaango up
— stijgen; omhooggaango down
— dalen; naar beneden gaangeluiden, signalen en afgaan
go off
— afgaan (van signaal); ontploffen; bederven (van eten); uitgaan (van apparaat)idiomen en vaste uitdrukkingen
let it go
— loslaten; stoppen met klagenhow's it going
— hoe gaat het; hoe gaat het ermeethere's no going back
— er is geen weg terug; niet meer terug kunnen