Vertaling van government van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

government

': regering, overheid, bestuur, gouvernement, bewind
Transcriptie: [ˈgʌv(ə)mənt]   US     UK 

Woordenboekartikel

noun

  1. overheid f (authority, administration)
  2. regering f
  3. bestuur n (administration)
  4. heerschappij f (rule)
  5. gouvernement
  6. bewind
  7. leiding
  8. rijksbewind

Voorbeelden

bestuursorganen of de staat


 

government

— regering; staatsmacht
 

central government

— centrale overheid; centrale autoriteiten
 

local government

— lokale overheid; lokaal bestuur
 

national government

— nationale regering; landsregering
 

federal government

— federale regering
 

state government

— deelstaatregering

beleid of activiteiten van de regering


 

government policy

— overheidsbeleid; regeringsbeleid
 

government intervention

— overheidsingrijpen; regeringsinterventie
 

government reform

— bestuurlijke hervorming; regeringshervorming
 

government decision

— regeringsbesluit; kabinetsbeslissing
 

government action

— overheidsoptreden; regeringsmaatregelen

financiën en begroting


 

government budget

— rijksbegroting; overheidsbegroting
 

government spending

— overheidsuitgaven; rijksuitgaven
 

government revenue

— overheidsinkomsten; rijksinkomsten
 

government debt

— staatsschuld; overheidsschuld
 

government borrowing

— overheidsleningen; staatleningen
 

government grants

— overheidssubsidies; rijkssubsidies

wet- en regelgeving


 

government regulation

— overheidsregulering; overheidsvoorschriften
 

government legislation

— overheidswetgeving; regeerwetgeving
 

government oversight

— overheidstoezicht; rijksinspectie
 

government approval

— goedkeuring van de overheid; regeerakkoord

interactie, contracten en inkoop


 

government contract

— overheidscontract; rijkscontract
 

government procurement

— overheidsinkoop; overheidsaankopen
 

government partnership

— publiek-private samenwerking; partnerschap met de overheid
 

government support

— overheidssteun; regeersteun
 

government relations

— relaties met de overheid; overheidsbetrekkingen

overheidsinstanties, kantoren en functies


 

government agency

— overheidsagentschap; rijksdienst
 

government office

— overheidskantoor; rijkskantoor
 

government official

— overheidsfunctionaris; rijksambtenaar
 

government minister

— regeringsminister; minister in het kabinet
 

government representative

— vertegenwoordiger van de overheid; regeringsafgevaardigde

veiligheid, toezicht en verantwoording


 

government security

— staatsveiligheid; overheidsveiligheid
 

government surveillance

— overheidstoezicht; staatstoezicht
 

government accountability

— verantwoording van de overheid; overheidsverantwoording
 

government control

— overheidscontrole; staatscontrole
 

government response

— reactie van de overheid; overheidsantwoord

eigendom en bedrijfsdeelname


 

government-owned

— in overheidshanden; staatsbezit
 

government-owned company

— staatsbedrijf; overheidsbedrijf
 

government stake

— staatsbelang; overheidsbelang
 

government bailout

— redding door de overheid; overheidssteun

crises, instabiliteit en uitzonderlijke situaties


 

government crisis

— regeringscrisis; kabinetscrisis
 

government shutdown

— overheidsstop; sluiting van overheidsdiensten
 

government in exile

— regering in ballingschap
 

government emergency measures

— noodmaatregelen van de overheid; crisisbeheersing door de overheid