Vertaling van grasp van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

grasp

': grijpen, greep, begrijpen, bereik, beheersing
Transcriptie: [grɑːsp]   US     UK 

Woordenboekartikel

verb

  1. begrijpen (apprehend, seize, conceive, comprehension, grab, comprehend, realize, understand)
  2. grijpen
  3. vastgrijpen
  4. aangrijpen
  5. vasthouden (cling)
  6. vatten
  7. begrepen
  8. doorgronden
  9. begreep
  10. snappen

noun

  1. greep m (grab)
  2. inzicht n (comprehension)
  3. begrip n
  4. pak n (seize)
  5. grip f (grip)
  6. inzien (see)
  7. bereik
  8. beheersing
  9. macht
  10. bevattingsvermogen

Voorbeelden

fysieke actie, grip


 

grasp the handle

— de handgreep vastpakken; de handgreep pakken
 

grasp someone's hand

— iemands hand vastpakken; iemands hand grijpen
 

grasp the rope

— het touw vastgrijpen; het touw vastpakken
 

firm grasp

— stevige greep
 

tighten one's grasp

— zijn greep verstevigen; zijn greep versterken
 

release one's grasp

— zijn greep loslaten; loslaten

begrip, inzicht


 

grasp the concept

— het concept begrijpen; de gedachte vatten
 

grasp the idea

— het idee begrijpen; de gedachte opvangen
 

hard to grasp

— moeilijk te begrijpen; moeilijk te vatten
 

get a grasp on something

— ergens grip op krijgen; een beeld krijgen van iets
 

lose one's grasp

— het begrip verliezen; niet meer begrijpen
 

beyond one's grasp

— buiten bereik; niet te bevatten

kans, gebruik van gelegenheid


 

grasp the opportunity

— de gelegenheid benutten; de kans grijpen
 

fail to grasp the opportunity

— de gelegenheid niet benutten; de kans laten liggen
 

grasp at straws

— naar een strohalm grijpen; zich aan een laatste hoop vastklampen
 

grasp the chance

— de kans grijpen; het moment benutten

controle, macht, leiding


 

grasp power

— de macht grijpen; aan de macht komen
 

firm grasp on the situation

— stevige grip op de situatie; vaste controle over de situatie
 

grasp the reins

— de teugels in handen nemen; de touwtjes in handen nemen
 

have a grasp on someone

— iemand onder controle hebben; macht over iemand hebben

kennis, vaardigheid, beheersing


 

grasp of the subject

— begrip van het onderwerp; kennis van het onderwerp
 

have a good grasp of something

— iets goed beheersen; een goed begrip van iets hebben
 

lack of grasp

— gebrek aan begrip; gebrek aan kennis
 

quick to grasp

— snel begrijpen; snel leren