Vertaling van habit van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

habit

': gewoonte, hebbelijkheid, aanwensel, lichaamsbouw, kleden
Transcriptie: [ˈhæbɪt]

Woordenboekartikel

noun

  1. gewoonte f (tradition)
  2. verslaving f (addiction)
  3. hebbelijkheid
  4. aanwensel
  5. lichaamsbouw
  6. karakteristieke trek

verb

  1. kleden

Voorbeelden

gewoonte als gedrag, regelmatige handeling


 

bad habit

— slechte gewoonte
 

good habit

— goede gewoonte
 

daily habit

— dagelijkse gewoonte
 

morning habit

— ochtendgewoonte
 

old habit

— oude gewoonte
 

new habit

— nieuwe gewoonte

gewoonte aanleren of afleren


 

form a habit

— een gewoonte aannemen
 

get into the habit of

— de gewoonte aannemen om
 

fall into the habit of

— in de gewoonte vervallen om
 

break a habit

— een gewoonte afleren
 

kick the habit

— een slechte gewoonte afleren
 

give up a habit

— een gewoonte opgeven

vaste uitdrukkingen of idiomen


 

in the habit of

— de gewoonte hebben om
 

out of habit

— uit gewoonte
 

have a habit of

— de gewoonte hebben om
 

old habits die hard

— oude gewoontes verdwijnen moeilijk
 

creature of habit

— gewoontemens

gewoontes met betrekking tot gezondheid of verslaving


 

habit-forming

— verslavend
 

smoking habit

— rookgewoonte
 

drinking habit

— drinkgewoonte
 

drug habit

— drugsverslaving

monastieke of religieuze kleding


 

nun's habit

— nonnenhabijt
 

religious habit

— religieus habijt