Vertaling van half van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

half

': helft, half, half-, halve-, semester
Transcriptie: [hɑːf]

Woordenboekartikel

noun

  1. helft m (half past)
  2. half n
  3. semester
  4. deel
  5. partij

adjective

  1. half-
  2. halve-
  3. gedeeltelijk
  4. onvoul
  5. partieel

Voorbeelden

hoeveelheid of breuk


 

half a cup

— een half kopje
 

half a litre

— een halve liter
 

half of them

— de helft van hen
 

half the time

— de helft van de tijd
 

half a loaf

— een half brood

tijd of tijdsinterval


 

half an hour

— een half uur
 

half past six

— half zeven
 

half-time

— rustpauze; pauze tussen de helften

samengestelde woorden, bijvoeglijke naamwoorden of zelfstandige naamwoorden


 

half-hearted

— halfhartig; lauw; aarzelend
 

half-baked

— onuitgewerkt; halfgaar idee
 

half-brother

— halfbroer
 

half-sister

— halfzus
 

half-price

— voor de halve prijs

handeling, verdeling of resultaat


 

in half

— in tweeën; in twee delen
 

cut in half

— doormidden snijden
 

split in half

— in tweeën splitsen
 

break in half

— in tweeën breken

idiomen, uitdrukkingen of wendingen


 

half the battle

— het halve werk
 

half-heartedly

— zonder enthousiasme; met tegenzin
 

at half-mast

— halfstok
 

half as much

— half zoveel; de helft

vergelijking, mate of voornemen


 

half as... as

— half zo... als; de helft minder
 

half a mind

— bijna van plan; geneigd zijn