Vertaling van household van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

household

': huishouden, huishouding, gezin, huisgezin, huiselijk
Transcriptie: [ˈhaʊshəʊld]

Woordenboekartikel

noun

  1. gezin n (home, family)
  2. familie f
  3. woning f (home)
  4. huishouden
  5. huishouding
  6. huisgezin

adjective

  1. huiselijk

Voorbeelden

huishouden


 

household member

— lid van het huishouden
 

household size

— grootte van het huishouden
 

household income

— inkomen van het huishouden; gezinsinkomen
 

household budget

— huishoudbudget; gezinsbudget
 

single-person household

— eenpersoonshuishouden; alleenstaand huishouden
 

multi-generational household

— meergeneratiehuishouden; huishouden met meerdere generaties
 

household survey

— huishoudenonderzoek; enquête onder huishoudens
 

household chores

— huishoudelijke taken; huiswerk
 

household expenses

— huishoudelijke uitgaven; gezinsuitgaven

huishoudelijk; huiselijk


 

household appliances

— huishoudelijke apparaten; witgoed
 

household goods

— huishoudelijke artikelen; drogisterijartikelen
 

household items

— huishoudelijke voorwerpen; spullen voor in huis
 

household cleaning products

— schoonmaakmiddelen voor het huis; huishoudchemicaliën
 

household waste

— huishoudelijk afval; huisvuil
 

household equipment

— huishoudelijke apparatuur; apparatuur voor in huis
 

household energy consumption

— energieverbruik van het huishouden; energieverbruik in de huishouding

vaste uitdrukkingen


 

a household name

— een begrip; een bekend merk
 

household word

— een begrip; een gevleugeld woord

huishoudelijke taken; het voeren van een huishouding


 

household management

— huishoudvoering; het beheren van een huishouden
 

household maintenance

— onderhoud van het huis; het huis in goede staat houden
 

household cleaning

— het schoonmaken van het huis; de huishoudelijke schoonmaak
 

household services

— huishoudelijke diensten; diensten voor in huis