Vertaling van impair van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
impair
Woordenboekartikel
verb
- aantasten (affect)
- afbreuk f (affect)
- schaden (affect)
- aangetast (affect)
- nadelig
- belemmeren (hamper)
- verstoren (disrupt)
- hinderen (hamper)
- verslechteren (worsen)
- toebrengen (cause)
Voorbeelden
functie of gezondheid
impair vision
— het gezichtsvermogen aantastenimpair hearing
— het gehoor aantastenimpair cognitive function
— de cognitieve functies aantasten; de cognitieve vermogens aantastenimpair memory
— het geheugen aantastenimpair concentration
— de concentratie aantasten; het concentratievermogen verminderenimpair balance
— het evenwicht verstorenimpair respiratory function
— de ademhalingsfunctie aantastenimpair immune system
— het immuunsysteem verzwakkenimpair physical performance
— de fysieke prestaties aantastenarbeidsprestatie of productiviteit
impair performance
— de prestaties verminderen; de effectiviteit verlagenimpair productivity
— de productiviteit verlagenimpair system performance
— de systeemprestaties verlagen; de werking van het systeem aantastenimpair battery life
— de batterijduur verkorten; de levensduur van de batterij verminderenimpair signal transmission
— de signaaloverdracht aantastenbeslissingen of oordelen
impair judgment
— het beoordelingsvermogen aantasten; het oordeel vertekenenimpair decision making
— het besluitvormingsproces aantasten; het nemen van beslissingen bemoeilijkenimpair critical thinking
— het kritisch denken aantastenimpair one's ability to decide
— het vermogen om beslissingen te nemen verminderenveiligheid of rijden
impair driving ability
— het rijvermogen verminderen; het autorijden bemoeilijkenimpair road safety
— de verkeersveiligheid verminderenimpair situational awareness
— het situatiebewustzijn verminderen; het inzicht in de situatie aantastenimpair motor skills
— de motorische vaardigheden aantasten; de coördinatie verstorenkwaliteit, integriteit of constructie
impair quality
— de kwaliteit aantastenimpair structural integrity
— de structurele integriteit aantasten; de sterkte van de constructie aantastenimpair durability
— de duurzaamheid verminderen; de robuustheid verminderenimpair data integrity
— de gegevensintegriteit aantastenrecht, reputatie of economie
impair reputation
— de reputatie schaden; de reputatie ondermijnenimpair legal rights
— de juridische rechten beperken; de juridische rechten aantastenimpair contractual obligations
— de contractuele verplichtingen bemoeilijken; de contractuele verplichtingen schendenimpair economic activity
— de economische activiteit verstoren; de economische activiteit belemmerenvoorwaardelijke uitdrukkingen of mate van impact
may impair
— kan aantasten; kan negatief beïnvloedencould impair
— zou kunnen aantasten; zou negatief kunnen beïnvloedenlikely to impair
— waarschijnlijk aantasten; waarschijnlijk schadensignificantly impair
— aanzienlijk aantastenpartially impair
— gedeeltelijk aantasten