Vertaling van impair van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

impair

': aantasten, beschadigen, benadelen, verzwakken
Transcriptie: [ɪmˈpeə]

Woordenboekartikel

verb

  1. aantasten (affect)
  2. afbreuk f (affect)
  3. schaden (affect)
  4. aangetast (affect)
  5. nadelig
  6. belemmeren (hamper)
  7. verstoren (disrupt)
  8. hinderen (hamper)
  9. verslechteren (worsen)
  10. toebrengen (cause)

Voorbeelden

functie of gezondheid


impair vision

— het gezichtsvermogen aantasten

impair hearing

— het gehoor aantasten

impair cognitive function

— de cognitieve functies aantasten; de cognitieve vermogens aantasten

impair memory

— het geheugen aantasten

impair concentration

— de concentratie aantasten; het concentratievermogen verminderen

impair balance

— het evenwicht verstoren

impair respiratory function

— de ademhalingsfunctie aantasten

impair immune system

— het immuunsysteem verzwakken

impair physical performance

— de fysieke prestaties aantasten

arbeidsprestatie of productiviteit


impair performance

— de prestaties verminderen; de effectiviteit verlagen

impair productivity

— de productiviteit verlagen

impair system performance

— de systeemprestaties verlagen; de werking van het systeem aantasten

impair battery life

— de batterijduur verkorten; de levensduur van de batterij verminderen

impair signal transmission

— de signaaloverdracht aantasten

beslissingen of oordelen


impair judgment

— het beoordelingsvermogen aantasten; het oordeel vertekenen

impair decision making

— het besluitvormingsproces aantasten; het nemen van beslissingen bemoeilijken

impair critical thinking

— het kritisch denken aantasten

impair one's ability to decide

— het vermogen om beslissingen te nemen verminderen

veiligheid of rijden


impair driving ability

— het rijvermogen verminderen; het autorijden bemoeilijken

impair road safety

— de verkeersveiligheid verminderen

impair situational awareness

— het situatiebewustzijn verminderen; het inzicht in de situatie aantasten

impair motor skills

— de motorische vaardigheden aantasten; de coördinatie verstoren

kwaliteit, integriteit of constructie


impair quality

— de kwaliteit aantasten

impair structural integrity

— de structurele integriteit aantasten; de sterkte van de constructie aantasten

impair durability

— de duurzaamheid verminderen; de robuustheid verminderen

impair data integrity

— de gegevensintegriteit aantasten

recht, reputatie of economie


impair reputation

— de reputatie schaden; de reputatie ondermijnen

impair legal rights

— de juridische rechten beperken; de juridische rechten aantasten

impair contractual obligations

— de contractuele verplichtingen bemoeilijken; de contractuele verplichtingen schenden

impair economic activity

— de economische activiteit verstoren; de economische activiteit belemmeren

voorwaardelijke uitdrukkingen of mate van impact


may impair

— kan aantasten; kan negatief beïnvloeden

could impair

— zou kunnen aantasten; zou negatief kunnen beïnvloeden

likely to impair

— waarschijnlijk aantasten; waarschijnlijk schaden

significantly impair

— aanzienlijk aantasten

partially impair

— gedeeltelijk aantasten