Vertaling van minister van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

minister

': minister, predikant, dienen, dienaar, bewindsman
Transcriptie: [ˈmɪnɪstə]

Woordenboekartikel

noun

  1. minister m
  2. dienaar m
  3. predikant m
  4. priester m
  5. bewindsman
  6. gezant

verb

  1. gediend
  2. dienen
  3. toedienen
  4. verlenen
  5. dienst verrichten
  6. verschaffen

Voorbeelden

minister


the minister of finance

— de minister van financiën

a cabinet minister

— een kabinetsminister

the foreign minister

— de minister van buitenlandse zaken

the minister resigned

— de minister trad af

predikant


a church minister

— een kerkelijke predikant

the minister preached

— de predikant preekte

minister of the parish

— pastoor van de parochie

the minister gave a blessing

— de predikant gaf een zegen

diplomatiek vertegenwoordiger


minister plenipotentiary

— gevolmachtigd minister

minister to France

— gezant in Frankrijk

the minister at the embassy

— de minister bij de ambassade

dienen


minister to the sick

— de zieken verzorgen

minister to the poor

— de armen helpen

minister to public needs

— in openbare behoeften voorzien