Vertaling van past van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

past

': verleden, langs, voorbij, na, over
Transcriptie: [pɑːst]

Woordenboekartikel

noun

  1. verleden n (last)
  2. afgelopen (last)
  3. vorig
  4. vroegere (previous)
  5. eerdere (previous)
  6. voorgaande (above)
  7. verstreken (elapsed time)
  8. verleden tijd
  9. het gebeuren

adjective

  1. voorbij
  2. geleden
  3. voorbijgegaan

preposition

  1. langs
  2. na
  3. over
  4. buiten

Voorbeelden

verleden


in the past

— in het verleden

the past

— het verleden

in past years

— in de afgelopen jaren

over the past year

— het afgelopen jaar

past week

— afgelopen week

past midnight

— na middernacht

years past

— vergane jaren

richting of passeren


go past

— voorbijgaan

past the house

— voorbij het huis

past the point

— voorbij het punt

run past someone

— iemand iets voorleggen

get past

— voorbijgeraken

pass by the past

— het verleden achter zich laten

grammatica of vorm


past tense

— verleden tijd

simple past

— onvoltooid verleden tijd

past continuous

— verleden tijd (onvoltooid)

past perfect

— voltooid verleden tijd

past participle

— voltooid deelwoord

past form

— verleden tijdsvorm

persoonlijk verleden, ervaring of relaties


past experience

— eerdere ervaring

past mistakes

— gemaakte fouten

past relationship

— eerdere relatie

my past

— mijn verleden

past life

— vorige levens

idiomen of vaste uitdrukkingen


a thing of the past

— een zaak van het verleden

past its prime

— over zijn hoogtepunt heen

let the past be

— laat het verleden rusten

past my bedtime

— na mijn bedtijd

termijnen, financiën of administratie


past due

— achterstallig

past due date

— vervaldatum overschreden

past the deadline

— na de deadline