Vertaling van past tense van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
past tense
Voorbeelden
grammaticale termen
past tense
— verleden tijdsimple past tense
— onvoltooid verleden tijdpast continuous tense
— verleden tijd continu; onvoltooid verleden tijd met een duurpast perfect tense
— voltooid verleden tijdpast perfect continuous tense
— voltooid verleden tijd continu; voltooid verleden tijd met een duurpast tense marker
— markering van de verleden tijd; aanwijzing van de verleden tijdpast tense form
— vorm van de verleden tijdpast tense verb
— werkwoord in de verleden tijdirregular past tense
— onregelmatige verleden tijdregular past tense
— regelmatige verleden tijdgebruik of context van de tijd
in the past tense
— in de verleden tijduse the past tense
— de verleden tijd gebruikenwritten in the past tense
— geschreven in de verleden tijdspoken in the past tense
— gezegd in de verleden tijd; uitgesproken in de verleden tijdswitch to the past tense
— overgaan naar de verleden tijd; overschakelen op de verleden tijdchange to past tense
— veranderen naar de verleden tijd; omzetten in de verleden tijdremain in past tense
— in de verleden tijd blijvenkeep past tense consistency
— consistentie van de verleden tijd handhaven; de tijden in overeenstemming houdenvertelling of stijl
past tense narration
— vertelling in de verleden tijdpast tense narrative
— verhaal in de verleden tijdpast tense story
— verhaal in de verleden tijd; vertelling in de verleden tijdpast tense point of view
— gezichtspunt in de verleden tijd; vertelperspectief in de verleden tijdpassage in the past tense
— passage in de verleden tijdnovel written in the past tense
— roman geschreven in de verleden tijdvorming of omzetting van de tijd
form the past tense
— de verleden tijd vormenmake past tense
— in de verleden tijd plaatsen; de verleden tijd vormenconvert to past tense
— omzetten naar de verleden tijd; overzetten in de verleden tijdregular past tense ending
— uitgang van de regelmatige verleden tijdadd past tense ending
— verleden tijd uitgang toevoegen; uitgang van de verleden tijd toevoegenpast tense formation rules
— regels voor de vorming van de verleden tijdpast tense conjugation
— vervoeging in de verleden tijdfouten of analyse
past tense error
— fout in de verleden tijd; foutief gebruik van de verleden tijdpast tense disagreement
— discrepantie in de tijden; overeenstemming van de tijden ontbreektincorrect past tense
— onjuiste verleden tijd; incorrect gebruik van de verleden tijdpast tense inconsistency
— inconsistentie in het gebruik van de tijden; wisselend gebruik van de tijdenpast tense omission
— weglating van de verleden tijd; het weglaten van de verleden tijdonderwijs of oefeningen
past tense exercise
— oefening over de verleden tijdpast tense practice
— oefenen met de verleden tijd; het oefenen van de verleden tijdteach past tense
— de verleden tijd onderwijzen; lesgeven over de verleden tijdlearn past tense
— de verleden tijd leren; de verleden tijd bestuderendrill past tense
— de verleden tijd drillen; oefeningen doen met de verleden tijdpast tense worksheet
— werkblad over de verleden tijd; oefenblad voor de verleden tijd