Vertaling van past tense van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

past tense

': verleden tijd
Transcriptie: [ˈpɑːst tɛns]

Voorbeelden

grammaticale termen


past tense

— verleden tijd

simple past tense

— onvoltooid verleden tijd

past continuous tense

— verleden tijd continu; onvoltooid verleden tijd met een duur

past perfect tense

— voltooid verleden tijd

past perfect continuous tense

— voltooid verleden tijd continu; voltooid verleden tijd met een duur

past tense marker

— markering van de verleden tijd; aanwijzing van de verleden tijd

past tense form

— vorm van de verleden tijd

past tense verb

— werkwoord in de verleden tijd

irregular past tense

— onregelmatige verleden tijd

regular past tense

— regelmatige verleden tijd

gebruik of context van de tijd


in the past tense

— in de verleden tijd

use the past tense

— de verleden tijd gebruiken

written in the past tense

— geschreven in de verleden tijd

spoken in the past tense

— gezegd in de verleden tijd; uitgesproken in de verleden tijd

switch to the past tense

— overgaan naar de verleden tijd; overschakelen op de verleden tijd

change to past tense

— veranderen naar de verleden tijd; omzetten in de verleden tijd

remain in past tense

— in de verleden tijd blijven

keep past tense consistency

— consistentie van de verleden tijd handhaven; de tijden in overeenstemming houden

vertelling of stijl


past tense narration

— vertelling in de verleden tijd

past tense narrative

— verhaal in de verleden tijd

past tense story

— verhaal in de verleden tijd; vertelling in de verleden tijd

past tense point of view

— gezichtspunt in de verleden tijd; vertelperspectief in de verleden tijd

passage in the past tense

— passage in de verleden tijd

novel written in the past tense

— roman geschreven in de verleden tijd

vorming of omzetting van de tijd


form the past tense

— de verleden tijd vormen

make past tense

— in de verleden tijd plaatsen; de verleden tijd vormen

convert to past tense

— omzetten naar de verleden tijd; overzetten in de verleden tijd

regular past tense ending

— uitgang van de regelmatige verleden tijd

add past tense ending

— verleden tijd uitgang toevoegen; uitgang van de verleden tijd toevoegen

past tense formation rules

— regels voor de vorming van de verleden tijd

past tense conjugation

— vervoeging in de verleden tijd

fouten of analyse


past tense error

— fout in de verleden tijd; foutief gebruik van de verleden tijd

past tense disagreement

— discrepantie in de tijden; overeenstemming van de tijden ontbreekt

incorrect past tense

— onjuiste verleden tijd; incorrect gebruik van de verleden tijd

past tense inconsistency

— inconsistentie in het gebruik van de tijden; wisselend gebruik van de tijden

past tense omission

— weglating van de verleden tijd; het weglaten van de verleden tijd

onderwijs of oefeningen


past tense exercise

— oefening over de verleden tijd

past tense practice

— oefenen met de verleden tijd; het oefenen van de verleden tijd

teach past tense

— de verleden tijd onderwijzen; lesgeven over de verleden tijd

learn past tense

— de verleden tijd leren; de verleden tijd bestuderen

drill past tense

— de verleden tijd drillen; oefeningen doen met de verleden tijd

past tense worksheet

— werkblad over de verleden tijd; oefenblad voor de verleden tijd