Vertaling van predicate van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

predicate

': gezegde, eigenschap, toekennen, predikant, zeggen
Transcriptie: [ˈpredɪkɪt]

Woordenboekartikel

noun

  1. predikaat n
  2. gezegde
  3. eigenschap
  4. predikant

verb

  1. toekennen
  2. zeggen
  3. beweren
  4. uiten
  5. bevestigen
  6. insluiten

Voorbeelden

grammatica, syntaxis


predicate of a sentence

— gezegde van een zin

simple predicate

— eenvoudig gezegde

compound predicate

— samengesteld gezegde

verbal predicate

— werkwoordelijk gezegde

nominal predicate

— naamwoordelijk gezegde

predicate nominative

— naamwoordelijk deel van het gezegde

predicate adjective

— predicatief bijvoeglijk naamwoord

predicate clause

— predicatieve bijzin

predicate phrase

— predicatieve woordgroep

logica, wiskunde, formele semantiek


predicate logic

— predicatenlogica

predicate calculus

— predicatenlogica

unary predicate

— unair predicaat

binary predicate

— binair predicaat

n-ary predicate

— n-air predicaat

predicate symbol

— predicaatsymbool

predicate variable

— predicaatvariabele

atomic predicate

— atomair predicaat

satisfaction of a predicate

— vervulling van een predicaat

programmeren, databases, informatica


predicate function

— predicaatfunctie

predicate in SQL

— predicaat in SQL

predicate filter

— predicaatfilter

predicate pushdown

— predicaatpushdown

predicate builder

— predicaatbouwer

evaluate predicate

— predicaat evalueren

predicate combinators

— predicaatcombinatoren

predicate-based authorization

— op predicaat gebaseerde autorisatie

werkwoordelijke combinaties, acties met to predicate


to predicate something on something

— iets baseren op iets

to predicate that

— beweren dat

to be predicated of

— toegeschreven worden aan

predicate a claim on evidence

— een claim op bewijs baseren