Vertaling van punish van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

punish

': straffen, bestraffen, afstraffen, kastijden, toetakelen
Transcriptie: [ˈpʌnɪʃ]

Woordenboekartikel

verb

  1. straffen (penalize)
  2. bestraffen
  3. straft
  4. straf f
  5. bestraffing f
  6. bestraft
  7. afstraffen
  8. kastijden
  9. toetakelen
  10. verbeteren

Voorbeelden

Een persoon of groep straffen


punish someone

— iemand straffen

punish a child

— een kind straffen

punish an employee

— een werknemer straffen

punish the guilty

— de schuldigen straffen

Straffen voor een daad of overtreding


punish for a crime

— straffen voor een misdaad

punish for theft

— straffen voor diefstal

punish for breaking the rules

— straffen voor het overtreden van de regels

punish for disobedience

— straffen voor ongehoorzaamheid

Een boete opleggen


punish with a fine

— straffen met een boete

punish by heavy fines

— straffen met zware boetes

Lichamelijke of lijfstraffen


punish physically

— lichamelijk straffen

punish with corporal punishment

— straffen met lijfstraffen

Juridische, rechterlijke of administratieve straf


punish by law

— straffen volgens de wet

punish by the court

— straffen door de rechtbank

punish administratively

— administratief straffen

Rechten ontnemen of vrijheden beperken


punish by revoking a license

— straffen door intrekking van de vergunning

punish by suspension

— straffen door schorsing

punish by banning

— straffen door een verbod

Sociale of morele straf


punish socially

— sociaal straffen

punish by ostracism

— straffen door ostracisme

Metaforische of psychologische straf


punish oneself

— zichzelf straffen

punish someone mentally

— iemand psychologisch straffen