Vertaling van rush van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

rush

': stormloop, haast, rennen, spoed, aandrang
Transcriptie: [rʌʃ]

Woordenboekartikel

noun

  1. haast n (hurry)
  2. stormloop m
  3. Rush m
  4. drukte f (buzz)
  5. spoed
  6. aandrang
  7. bies
  8. riet
  9. vlucht
  10. geruis

verb

  1. rennen (race)
  2. haasten (hurry)
  3. overhaast (haste)
  4. snellen
  5. matten
  6. bestormen
  7. vliegen
  8. dringen
  9. stuiven
  10. spoed maken

adjective

  1. spoedig

Voorbeelden

haast, gehaast


in a rush

— in een haast = in haast, overhaast

rush

— haast, gehaastheid

rush to do something

— haasten om iets te doen, zich haasten om iets te doen

rush off

— weg haasten, zich haastig verwijderen

in no rush

— geen haast hebben, niet hoeven te haasten

toestroom, stroom, menigte


rush hour

— spitsuur

a rush of customers

— een toestroom van klanten, een stroom klanten

a rush of people

— een toestroom van mensen, een mensenmenigte

a morning rush

— ochtendspits, ochtenddrukte

emotionele opwelling, opwinding


adrenaline rush

— adrenalinestoot, adrenalinekick

rush of excitement

— opwinding, vlaag van opwinding

the rush

— kick, intense opwinding

oprukken, naar voren stormen


rush forward

— naar voren stormen, zich voorwaarts storten

rush past

— voorbij rennen, voorbijschieten

rush into the room

— de kamer binnenstormen, de kamer binnen stuiven

rush back

— haastig terugkeren, terug snellen

frasale werkwoorden met haasten


rush in

— binnenstormen, naar binnen rennen

rush out

— naar buiten stormen, haastig naar buiten gaan

rush through

— haastig doornemen, snel afhandelen

rush around

— rondrennen, heen en weer haasten

rush off to

— zich haastig naar begeven, meteen naar gaan