Vertaling van rush van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
rush
Transcriptie: [rʌʃ]
Woordenboekartikel
noun
- haast n (hurry)
- stormloop m
- Rush m
- drukte f (buzz)
- spoed
- aandrang
- bies
- riet
- vlucht
- geruis
verb
- rennen (race)
- haasten (hurry)
- overhaast (haste)
- snellen
- matten
- bestormen
- vliegen
- dringen
- stuiven
- spoed maken
adjective
- spoedig
Voorbeelden
haast, gehaast
in a rush
— in een haast = in haast, overhaastrush
— haast, gehaastheidrush to do something
— haasten om iets te doen, zich haasten om iets te doenrush off
— weg haasten, zich haastig verwijderenin no rush
— geen haast hebben, niet hoeven te haastentoestroom, stroom, menigte
rush hour
— spitsuura rush of customers
— een toestroom van klanten, een stroom klantena rush of people
— een toestroom van mensen, een mensenmenigtea morning rush
— ochtendspits, ochtenddrukteemotionele opwelling, opwinding
adrenaline rush
— adrenalinestoot, adrenalinekickrush of excitement
— opwinding, vlaag van opwindingthe rush
— kick, intense opwindingoprukken, naar voren stormen
rush forward
— naar voren stormen, zich voorwaarts stortenrush past
— voorbij rennen, voorbijschietenrush into the room
— de kamer binnenstormen, de kamer binnen stuivenrush back
— haastig terugkeren, terug snellenfrasale werkwoorden met haasten
rush in
— binnenstormen, naar binnen rennenrush out
— naar buiten stormen, haastig naar buiten gaanrush through
— haastig doornemen, snel afhandelenrush around
— rondrennen, heen en weer haastenrush off to
— zich haastig naar begeven, meteen naar gaan