Vertaling van season van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
season
Transcriptie: [siːzn] US
UK
Woordenboekartikel
noun
- seizoen n (seasonal)
- jaargetijde f (time of year)
- Season m
- tijd
- tijdperk
- moesson
- geschikte tijd
verb
- kruiden
- op smaak brengen
- smakelijk maken
- drogen
- toebereiden
- rijp worden
- laten drogen
- temperen
- gewennen
- acclimatiseren