Vertaling van season van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

season

': seizoen, tijd, jaargetijde, kruiden, op smaak brengen
Transcriptie: [siːzn]   US     UK 

Woordenboekartikel

noun

  1. seizoen n (seasonal)
  2. jaargetijde f (time of year)
  3. Season m
  4. tijd
  5. tijdperk
  6. moesson
  7. geschikte tijd

verb

  1. kruiden
  2. op smaak brengen
  3. smakelijk maken
  4. drogen
  5. toebereiden
  6. rijp worden
  7. laten drogen
  8. temperen
  9. gewennen
  10. acclimatiseren