Vertaling van season van Engels naar Nederlands
Vertaling van het woord '
season
Transcriptie: [siːzn]
Woordenboekartikel
noun
- seizoen n (seasonal)
- jaargetijde f (time of year)
- Season m
- tijd
- tijdperk
- moesson
- geschikte tijd
verb
- kruiden
- op smaak brengen
- smakelijk maken
- drogen
- toebereiden
- rijp worden
- laten drogen
- temperen
- gewennen
- acclimatiseren
Voorbeelden
the football season
— het voetbalseizoento season wine
— wijn laten rijpenseason with salt
— met zout op smaak brengenseason the meat
— het vlees kruidenseason to taste
— op smaak brengenseasoning food
— eten kruidensummer season
— het zomerseizoenseason finale
— de seizoensfinaleholiday season
— het feestseizoenseason change
— de seizoenswisselingpeak season
— het hoogseizoenoff season
— het laagseizoen