Vertaling van season van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

season

': seizoen, tijd, jaargetijde, kruiden, op smaak brengen
Transcriptie: [siːzn]

Woordenboekartikel

noun

  1. seizoen n (seasonal)
  2. jaargetijde f (time of year)
  3. Season m
  4. tijd
  5. tijdperk
  6. moesson
  7. geschikte tijd

verb

  1. kruiden
  2. op smaak brengen
  3. smakelijk maken
  4. drogen
  5. toebereiden
  6. rijp worden
  7. laten drogen
  8. temperen
  9. gewennen
  10. acclimatiseren

Voorbeelden

the football season

— het voetbalseizoen

to season wine

— wijn laten rijpen

season with salt

— met zout op smaak brengen

season the meat

— het vlees kruiden

season to taste

— op smaak brengen

seasoning food

— eten kruiden

summer season

— het zomerseizoen

season finale

— de seizoensfinale

holiday season

— het feestseizoen

season change

— de seizoenswisseling

peak season

— het hoogseizoen

off season

— het laagseizoen