Vertaling van spouse van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

spouse

': echtgenoot, echtgenote, wederhelft, gade, eega
Transcriptie: [spaʊz]

Woordenboekartikel

noun

  1. echtgenoot m (wife)
  2. echtgenote f (wife)
  3. partner m (partner)
  4. echtgeno m
  5. huwelijkspartner m
  6. bruid f (bride)
  7. bruidegom m
  8. wederhelft
  9. gade
  10. eega

Voorbeelden

burgerlijke staat of verwantschap


spouse

— echtgenoot; echtgenote

my spouse

— mijn echtgenoot; mijn echtgenote

his spouse

— zijn echtgenoot; zijn echtgenote

her spouse

— haar echtgenoot; haar echtgenote

juridische status of type echtgenoot


former spouse

— ex-echtgenoot; ex-echtgenote

surviving spouse

— weduwnaar; weduwe

deceased spouse

— overleden echtgenoot; overleden echtgenote

common-law spouse

— samenwonende echtgenoot; samenwonende echtgenote

same-sex spouse

— echtgenoot van hetzelfde geslacht; echtgenote van hetzelfde geslacht

lawful spouse

— wettige echtgenoot; wettige echtgenote

registered spouse

— geregistreerde echtgenoot; geregistreerde echtgenote

immigratie of documenten


spouse visa

— partnervisum; visum voor echtgenoot of echtgenote

spouse sponsorship

— sponsoring van echtgenoot of echtgenote; partnerbegunstiging

spouse permit

— partnervergunning; verblijfsvergunning voor echtgenoot of echtgenote

proof of relationship with spouse

— bewijs van relatie met echtgenoot of echtgenote

financiën of sociale ondersteuning


spouse benefits

— partneruitkering; uitkering voor echtgenoot of echtgenote

spouse allowance

— partnerbijslag; toelage voor echtgenoot of echtgenote

spouse support

— partneralimentatie; levensonderhoud voor echtgenoot of echtgenote

alimony for spouse

— alimentatie voor echtgenoot of echtgenote

medische of noodcontacten


spouse as emergency contact

— echtgenoot of echtgenote als noodcontact

spouse information

— informatie over echtgenoot of echtgenote; gegevens van echtgenoot of echtgenote

reizen of dagelijkse situaties


travel with spouse

— reizen met echtgenoot of echtgenote

living with spouse

— wonen met echtgenoot of echtgenote