Vertaling van talking van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

talking

': praat, gepraat, pratend, sprekend, standje
Transcriptie: [ˈtɔːkɪŋ]

Woordenboekartikel

participle

  1. praten (speaking)
  2. gesprek n
  3. spreekt (speaking)

noun

  1. Talking m
  2. spreken (speaking)
  3. standje

adjective

  1. sprekend (speaking)
  2. gepraat
  3. praat m (speaking)
  4. gesproken (speaking)
  5. bespreken
  6. discussiëren
  7. besproken
  8. spreek (speaking)
  9. discussie f
  10. kletsen

Voorbeelden

praatgraag


a talking child

— een praatgraag kind

a talking neighbor

— een praatgraag buurman

a talking crowd

— een praatgrage menigte

praatziek


a talking woman

— een praatzieke vrouw

a talking friend

— een praatzieke vriend

a talking mouth

— een losse tong

expressief


talking eyes

— expressieve ogen

a talking face

— een expressief gezicht

talking gestures

— expressieve gebaren

sprekend


a talking doll

— een sprekende pop

a talking parrot

— een sprekende papegaai

a talking book

— een sprekend boek