Vertaling van tool van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

tool

': gereedschap, werktuig, beitel, bewerken, kwast
Transcriptie: [tuːl]

Woordenboekartikel

noun

  1. gereedschap n
  2. tool m (instrument)
  3. hulpmiddel n
  4. instrument n
  5. hulpprogramma n (utility, software)
  6. programma n
  7. softwarehulpmiddel n
  8. middel n (means)
  9. machine f (machine)
  10. medium n (vehicle)

verb

  1. bewerken
  2. met blinddruk versieren
  3. mennen
  4. rijden

Voorbeelden

fysiek gereedschap of handgereedschap


hand tool

— handgereedschap

toolbox

— gereedschapskist; gereedschapsset

tool kit

— gereedschapsset; gereedschapskist

cutting tool

— snijgereedschap

measuring tool

— meetgereedschap; meetinstrument

carpentry tool

— timmergereedschap

garden tool

— tuingereedschap

elektrisch gereedschap of gemotoriseerd gereedschap


power tool

— elektrisch gereedschap

cordless power tool

— accugereedschap; draadloos elektrisch gereedschap

electric hand tool

— elektrisch handgereedschap

pneumatic tool

— pneumatisch gereedschap

precision tool

— precisiegereedschap; hogeprecisiegereedschap

softwaretools of ontwikkeltools


software tool

— softwaretool; programmatuur

development tool

— ontwikkelingshulpmiddel; ontwikkelgereedschap

analysis tool

— analysehulpmiddel; analysetool

debugging tool

— debugtool; ontfoutingsgereedschap

automation tool

— automatiseringshulpmiddel; automatiseringsgereedschap

visualization tool

— visualisatiehulpmiddel; visualisatietool

figuurlijke betekenissen of middelen en methoden


tool for change

— middel voor verandering; instrument voor verandering

tool of persuasion

— overtuigingsmiddel; overtuigingsinstrument

political tool

— politiek instrument; politiek werktuig

marketing tool

— marketinginstrument; marketingmiddel

tool in the hands of

— werktuig in handen van; instrument in handen van

idiomen of vaste uitdrukkingen


tool of the trade

— beroepsgereedschap; ambachtsgereedschap

right tool for the job

— geschikt gereedschap voor de klus; geschikt middel voor de taak

tool around

— rondrijden; lanterfanten; rondhangen

a tool in someone's hands

— werktuig in iemands handen; instrument in iemands handen

nothing but a tool

— slechts een werktuig; slechts een instrument

opslag of dragen van gereedschap


tool belt

— gereedschapsriem

tool chest

— gereedschapskast; gereedschapskist

tool shed

— gereedschapsschuur; tuingereedschapschuur