Vertaling van train van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

train

': trein, trainen, opleiden, gang, sleep
Transcriptie: [treɪn]

Woordenboekartikel

noun

  1. treinstation n (railway)
  2. training f (training)
  3. opgeleid (training)
  4. trein
  5. gang
  6. sleep
  7. stoet
  8. loop
  9. gevolg

verb

  1. trainen (coach, teach)
  2. opleiden
  3. oefenen (exercise)
  4. getraind (coach)
  5. aanleren n (teach)
  6. peil n

Voorbeelden

vervoer, trein


train

— trein = trein

fast train

— sneltrein = sneltrein

freight train

— goederentrein = goederentrein

passenger train

— passagierstrein = personentrein

local train

— stoptrein = stoptrein; lokale trein

express train

— expresstrein = exprestrein; sneltrein

night train

— nachttrein = nachttrein

commuter train

— forensentrein = forensentrein; stoptrein

high-speed train

— hogesnelheidstrein = hogesnelheidstrein

train station

— treinstation = treinstation; station

train ticket

— treinkaartje = treinkaartje

train carriage

— treinrijtuig = treinstel; rijtuig

train platform

— treinperron = perron; platform

beroep, treinpersoneel


train driver

— treinmachinist = machinist; treinbestuurder

train conductor

— treinconducteur = conducteur; treinbegeleider

train crew

— treinbemanning = treinpersoneel; treinbemanning

train operator

— treinoperator = treinoperator; machinist

handeling, trainen of opleiden


to train

— trainen = trainen; oefenen; klaarstomen

train someone

— iemand trainen = iemand trainen; iemand opleiden

train for a race

— trainen voor een race = trainen voor een race; zich voorbereiden op een race

train hard

— hard trainen = hard trainen; intensief trainen

train the staff

— personeel trainen = personeel trainen; personeel opleiden

train in first aid

— trainen in eerste hulp = trainen in eerste hulp; een cursus eerste hulp volgen

metaforen, staart of stroom


train of thought

— gedachtestroom = gedachtestroom; redenering

train of events

— loop van gebeurtenissen = reeks gebeurtenissen; loop der gebeurtenissen

train wreck

— treinwrak = mislukking; catastrofe; totale mislukking

train of cars

— stoet van auto's = stoet auto's; colonne auto's

kleding, sleep van jurk


train of a dress

— sleep van een jurk = sleep van een jurk

wedding train

— bruidssleep = sleep van de bruidsjurk; bruidssleep