Vertaling van trip van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

trip

': reis, struikelen, tocht, uitstapje, toer
Transcriptie: [trɪp]

Woordenboekartikel

noun

  1. reis f (tour)
  2. tocht m
  3. uitstapje n (tour)
  4. trip f
  5. dagtocht m (tour)
  6. zakenreis f (travel)
  7. excursie f (tour)
  8. rit m (journey)
  9. bezoek n (tour)
  10. reizen (journey)

verb

  1. struikelen (tripping)
  2. trippelen
  3. huppelen
  4. fout begaan

Voorbeelden

 

business trip

— zakenreis
 

road trip

— autorit, roadtrip
 

weekend trip

— weekenduitstapje
 

round trip

— retourreis, heen- en terugreis
 

family trip

— familievakantie
 

day trip

— dagtocht
 

overseas trip

— buitenlandse reis
 

school trip

— schoolreisje
 

adventure trip

— avontuurlijke reis