Vertaling van vaccine van Engels naar Nederlands


Vertaling van het woord '

vaccine

': vaccin, vaccine, entstof, koepokstof, pokstof
Transcriptie: [ˈvæksiːn]   US     UK 

Woordenboekartikel

noun

  1. vaccin n (vaccination)
  2. vaccinatie f (vaccination)
  3. inenting f
  4. vaccine
  5. entstof
  6. koepokstof
  7. pokstof

Voorbeelden

typen vaccins of namen


 

vaccine candidate

— vaccinkandidaat
 

live attenuated vaccine

— levend verzwakt vaccin
 

inactivated vaccine

— geïnactiveerd vaccin; gedood vaccin
 

mrna vaccine

— mrna-vaccin
 

viral vector vaccine

— vectorvaccin
 

protein subunit vaccine

— subeenheidvaccin; eiwitsubeenheidvaccin
 

conjugate vaccine

— conjugaatvaccin; geconjugeerd vaccin
 

polyvalent vaccine

— polyvalent vaccin; multivalent vaccin
 

seasonal vaccine

— seizoensvaccin
 

covid-19 vaccine

— covid-19-vaccin

ontwikkeling, testen of goedkeuring


 

vaccine development

— vaccinontwikkeling
 

vaccine research

— vaccinonderzoek; wetenschappelijk onderzoek naar vaccins
 

vaccine trial

— klinische proef met een vaccin; proef met een vaccin
 

phase three vaccine trial

— klinische proef van een vaccin in fase drie; proef met een vaccin in fase drie
 

vaccine approval

— goedkeuring van een vaccin; registratie van een vaccin
 

vaccine rollout

— uitrol van vaccinatie; grootschalige campagne voor de invoering van een vaccin
 

vaccine administration

— toediening van een vaccin; vaccinatie uitvoeren

doses, schema of herhalingsvaccinatie


 

vaccine dose

— dosis van een vaccin; vaccindosis
 

booster vaccine

— boosterdosis; boosterprik
 

first vaccine dose

— eerste dosis van een vaccin; eerste prik
 

second vaccine dose

— tweede dosis van een vaccin; tweede prik
 

single-dose vaccine

— eendosisvaccin
 

two-dose vaccine

— tweedosisvaccin
 

vaccination schedule

— vaccinatieschema; vaccinatiekalender

effectiviteit, veiligheid of immuniteit


 

vaccine efficacy

— werkzaamheid van een vaccin (op basis van klinische onderzoeken)
 

vaccine effectiveness

— effectiviteit van een vaccin in de praktijk
 

vaccine safety

— veiligheid van een vaccin
 

vaccine-induced immunity

— door vaccin opgewekte immuniteit; vaccin-geïnduceerde immuniteit
 

waning vaccine immunity

— afnemende immuniteit na vaccinatie; tanende immuniteit

logistiek, toegang of bevoorrading


 

vaccine supply

— vaccinvoorraad; bevoorrading met vaccins
 

vaccine shortage

— vaccintekort; schaarste aan vaccins
 

vaccine distribution

— distributie van vaccins; levering van vaccins
 

vaccine cold chain

— koelketen voor vaccins; systeem van koude logistiek voor vaccins
 

vaccine storage

— opslag van vaccins
 

vaccine access

— toegang tot vaccins; beschikbaarheid van vaccins
 

vaccine equity

— rechtvaardige verdeling van vaccins; gelijke toegang tot vaccins

publieke opinie, beleid of vereisten


 

vaccine hesitancy

— twijfel over vaccinatie; aarzeling om zich te laten vaccineren
 

vaccine acceptance

— acceptatie van vaccins; bereidheid om zich te laten vaccineren
 

anti-vaccine movement

— antivaccinatiebeweging
 

mandatory vaccine policy

— verplicht vaccinatiebeleid; verplichte vaccinatie
 

vaccine passport

— vaccinatiebewijs; vaccinpaspoort